THEMADAG KNJV (Gewest Friesland) over:

BIODIVERSITEIT
TOEN!!!!....NU….en  STRAKS?????....

Organisatie: KNVJ i.s.m. Wildbeheereenheid ‘Tsjonger en Ald Djip’
De Stripe, Wijnjewoude / 02.10.2010
_________________________________________________________________

VERANDERINGEN IN HET AGRARISCH CULTUURLANDSCHAP

Jan Slofstra


Dames en heren,

Mijn bijdrage is in het programma aangekondigd onder de titel ‘Landbouw toen en nu en de gevolgen daarvan’. Dat is jammer genoeg niet de titel die ik had opgegeven. Ik wilde en wil het graag hebben over ‘Veranderingen in het agrarisch cultuurlandschap’. Dat is toch net iets anders dan spreken over landbouw: in mijn visie op het thema van deze dag (biodiversiteit/weidevogels) speelt het agrarisch cultuurlandschap een centrale rol.
 
Landschap en natuur
Om mijn bedoelingen goed over te brengen, begin ik met het scherpstellen van een paar begrippen.
Het eerste is landschap. Pas op, landschap is niet hetzelfde als natuur. Natuur wordt gevormd door een samenhangend complex van fysische verschijnselen (flora, fauna, bodem, klimaat, water enz.), landschap is de verandering, de transformatie van die natuur door de mens. De mens past zich aan aan de natuur en geeft die tegelijk een specifieke vorm. Die vormgegeven,  natuurlijke omgeving noemen we landschap.
Heel vroeger toen er alleen nog maar jagers en voedselverzamelaars rondzwierven, was er van vormgeving van de natuur nog nauwelijks sprake. De geschiedenis van het landschap begint eigenlijk pas met de entree van de boer in de geschiedenis, met de opkomst van een agrarische productiewijze. Boeren grijpen immers in de natuur in, veranderen de natuur in akkerland en weidegronden en ze leggen permanente nederzettingen aan. Pas met het verhaal van boerensamenlevingen begint ook het verhaal van het agrarisch landschap, netter geformuleerd het agrarisch cultuurlandschap.
Wanneer we dat in de tijd plaatsen, komen we in Noord-Nederland uit op z’n vroegst rond 4000 v.C. Dan begint de periode van het zg. neolithicum. Dat betekent dat we hier nu al een 6000 jaar lang boerensamenlevingen kennen en al net zo lang bijbehorende agrarische cultuurlandschappen. 


Ecologisch en cultureel kapitaal
Ik wil het hier niet hebben over de lange landschapsgeschiedenis vanaf het neolithicum tot nu, met al de verschillen die daar binnen Nederland en Europa bijhoren.
I.v.m. het thema van vandaag wil ik slechts attenderen op één aspect van de langetermijngeschiedenis van het agrarisch cultuurlandschap: de gestage toename in kwaliteit. Ik bedoel dit: in de omgang met hun landschap hebben boerensamenlevingen soms grote fouten gemaakt. Ze hebben de natuur soms overgeëxploiteerd, bodems uitgeput, erosie veroorzaakt met ecologische catastrofes en hongersnoden als gevolg. Maar in de meeste gevallen zijn boeren zeer zorgvuldig met hun landschap, hun belangrijkste bestaansbron omgegaan. Om hun bodems niet uit te putten hebben ze aan braaklegging en wisselbouw gedaan. Tegelijk hebben ze in de loop van de tijd meestal de vruchtbaarheid hun land weten te verhogen, bijvoorbeeld door irrigatie of juist door drooglegging, door intelligente  bemestingssystemen (denk aan de plaggenbemesting). Ook hebben ze de kwaliteit van hun vee gestaag verbeterd. Aan dat alles ligt een geweldige ervaringskennis van de natuur en het ingerichte landschap ten grondslag. Men zegt wel eens dat de boeren aldus in de loop van de eeuwen vaak een geweldig ecologisch kapitaal  hebben opgebouwd.  Dat bestaat uit hun ervaringskennis en uit de kwaliteit van hun agrarisch cultuurlandschappen.
Maar er is nog iets. Tegelijk leidt het langdurig gebruik van agrarisch landschappen vaak ook tot de vorming van een cultureel kapitaal, omdat in dat landschap ook de  geschiedenis zich a.h.w. opstapelt: die geschiedenis is aanwezig in de continuïteit van percelleringsvormen, de zichtbaarheid van vroegere bewoningssporen, bijzondere begroeiingen, boerderijvormen of de traditie van verhalen die zich aan het land hebben gehecht. In oude landschappen ligt a.h.w. het geheugen van boerensamenlevingen opgeslagen. Ook dat is rijkdom. Dit is een belangrijke reden waarom boeren ook zo vaak emotioneel met hun land verbonden zijn geweest, ervan hebben gehouden.
Het agrarisch cultuurlandschap vertegenwoordigt aldus heel vaak niet alleen een ecologisch kapitaal, maar ook een cultureel kapitaal.

Landschappelijk optimum
In de meeste streken van Europa zijn er tijden van crisis geweest waarin deze kapitaalsvormen behoorlijk geslonken zijn, maar op de lange termijn is er toch sprake van een gestage accumulatie van ecologisch en cultureel kapitaal in het agrarisch cultuurlandschap.
In ons land ligt het hoogtepunt van deze langetermijnontwikkeling zo ongeveer tussen 1850 en 1960. Men spreekt wel eens van een landschappelijk optimum. In deze tijd kende Nederland  een regionaal zeer gevarieerd, kleinschalig agrarisch cultuurlandschap. Ik moet wel meteen de kanttekening maken dat dit landschappelijk optimum geen decor van een boerenidylle was: het boerenleven was vaak hard en sober, alles ging nog met de hand, we hebben een landbouwcrisis gehad in de jaren ’80 van de 19de eeuw en de grote crisis van de jaren ’30. Desondanks was het agrarisch cultuurlandschap van toen - het resultaat van de traditionele boerenlandbouw - naar verhouding een rijk landschap.
Zeker ook in ekologisch opzicht. Van milieuvervuiling had nog nooit iemand gehoord. De natuur was een boerennatuur, met een grote biologische diversiteit. Daar maakte ook een rijke vogelwereld deel van uit. Velen van de oudere generatie (laten we zeggen de generatie 60+), hebben daar nog dierbare herinneringen aan. De wei- en hooilanden, maar ook vaak de akkergebieden waren in het voorjaar vol van feestelijk vogelgeluid.   
Persoonlijk denk ik terug aan mijn eigen omgeving (rondom het Allardsoog), maar vooral ook aan de lage polders rond het Leekstermeer, waar mijn grootvader en andere familie woonde. Een paradijs van grutto’s, van de kievit, de tureluur, de watersnip, zwaluwen rond de boerderij.
Alle boerenkinderen hadden zo hun eigen landschappen, waarin ze rondzwierven, waar ze van leerden houden en waar ze spelenderwijs (bij het eierzoeken, het vissen en meegaan op jacht) ook  leerden de natuur te respecteren.
Om ons weer tot de weidevogels te bepalen: dat zijn in onze belevingswereld boerenvogels, ze horen bij het agrarisch productiesysteem en het cultuurlandschap van toen, ze vormen daar een belangrijke kwaliteit van.  
 
Veranderingen na 1960
Er is in de laatste halve eeuw, sinds 1960, veel veranderd. De traditionele landbouw is allang geschiedenis. Het boerenlandschap is drastisch veranderd. De weidevogels zijn bijna verdwenen, de weilanden zijn stil geworden.
We begrijpen dat het iets te maken heeft met de teloorgang van de biodiversiteit op de aardbol en in onze eigen leefomgeving. Maar wat zijn de verklarende factoren? Verschillende groeperingen wijzen vaak met een beschuldigende vinger naar elkaar.
Ik neem een wat andere positie in dan de meesten. Mijn stelling hieris  dat het probleem van de biodiversiteit, toegespitst op het grotendeels verdwijnen van de boerennatuur en de dramatische achteruitgang van de weidevogels, in de eerste plaats het probleem is van de degradatie en de veronachtzaming van het agrarisch cultuurlandschap. Het gaat niet alleen om verarming van de natuur op zich, maar ook om de context waarin de natuur zich manifesteert, in ons geval het door de mens vormgegeven agrarische cultuurlandschap. Daar zit de kern van het probleem.
Ik schets U kort een drietal ontwikkelingen, die zich in de laatste halve eeuw hebben voltrokken en die tesamen een verklaring vormen voor de ernstige verarming van het agrarisch cultuurlandschap.

Agro-industrie
De eerste ontwikkeling betreft de ingrijpende veranderingen in het agrarische productiesysteem. Die zijn bij iedereen bekend; ik kan er dus kort over zijn. Na 1960 komt een snelle modernisering van de Nederlandse landbouw op gang, gekenmerkt door processen van rationalisering, mechanisering,    
schaalvergroting en arbeidsuitstoot. Het agrarisch cultuurlandschap ondergaat in de daarop volgende decennia dramatische veranderingen door ruilverkavelingen, ontgrondingen, beeknormalisaties, waterpeilverlagingen, verdwijnen van karakteristieke perceelsscheidingen (zoals houtwallen en sloten), van traditionele boerderijtypen en stalvormen, maar ook door allerlei vormen van milieuvervuiling en verwaarlozing van de onderhoud van het agrarisch landschap.
Het klinkt raar, maar voor mijn gevoel hebben deze ontwikkelingen, hoe spectaculair ook, tot ongeveer 1990 nog slechts een beperkt effect op het Nederlandse cultuurlandschap gehad. De traditionele structuur van het agrarisch cultuurlandschap is lange tijd op veel punten nog herkenbaar gebleven. Niet alle ecologische en culturele kapitaal van het agrarisch cultuurlandschap is in één keer opgeruimd. Historische elementen en reliëf in het landschap zijn in deze tijd vaak nog zichtbaar gebleven, de akkers zijn vaak nog niet zo diep geploegd dat de meeste archeologische resten zijn verdwenen. Traditionele bebouwingen bleven nog vaak intact. De weidevogels zijn op hun retour, maar lange tijd zijn ze nog aanwezig geweest.
Ik heb de indruk dat de ontwikkelingen in de landbouw na ongeveer 1990 in een nieuwe, nog sterkere stroomversnelling zijn geraakt. Dat heeft te maken met de opkomst van het marktdenken, de globalisering, de invloed van Brussel, de introductie van de informatietechnologie in het boerenbedrijf, de onstuitbare schaalvergroting. De landbouw transformeert zich sinds 1990 tot een agro-industrie. De boer is allang ondernemer geworden.
Voor het agrarisch cultuurlandschap heeft dat ingrijpende gevolgen gehad. De agro-industrie is steeds minder grondgebonden. Vee komt nog nauwelijks buiten. De bewerking van de eenvormige graslanden en akkers gebeurt met steeds grotere machines. Het benutten van ecologisch kapitaal speelt nog nauwelijks een rol. In deze sfeer ontbreken ideale leefomstandigheden voor weidevogels ten enen male. Hun biotoop is grotendeels verdwenen. 
We moeten heel nuchter vaststellen dat de weidevogels die vroeger thuishoorden in het traditionele,  kleinschalige agrarische cultuurlandschap geen plek meer hebben in de wereld van agro-industrie. En ook niet meer zullen terugkrijgen. Want wie goed oplet heeft allang gezien dat een nieuwe ronde van schaalvergroting en tempoversnelling in de landbouw er zit aan te komen. Ook het beleid van het nieuwe kabinet is daar op gericht.

Natuurbeleid
De teloorgang van het agrarisch cultuurlandschap is echter niet alleen het gevolg van de ontwikkelingen in de landbouw na 1960. Ook de ontwikkelingen in het natuurbeheer spelen een belangrijke rol. Toen de natuurbescherming in het begin van de 20ste eeuw in Nederland opkwam, was men niet alleen gericht op het behoud van landgoederen en mooie natuurgebieden, maar ook op de zorg voor de natuurlijke rijkdom van de Nederlandse agrarische cultuurlandschappen. Dat is lang zo gebleven, maar rond  1990 is er sprake van een opmerkelijke omslag in het denken over de natuur.
Het komt erop neer, dat vanaf die tijd de aandacht verschuift van de natuurlijke kwaliteiten van het Nederlandse cultuurlandschap naar het ideaal van een ‘echte’, natuurlijke natuur. Grootschalige oernatuur, natuur waarin menselijk ingrijpen niet meer thuis hoort, natuur volgens het model van de recentelijk ‘spontaan’ ontstane nieuwe natuurgebied van de Oostvaardersplassen.
Het cultuurlandschap en zijn tradtionele natuurwaarden, met name die van het agrarische cultuurlandschap, verdwijnen daarmee ook bij de overheid en de grote natuurorganisaties voor langere tijd goeddeels uit beeld. De aandacht verschuift naar natuurontwikkeling, de aanleg van een ecologische hoofdstructuur en de uitvoering van het Europese Natura-2000 programma.
Daar zijn best mooie dingen over te zeggen, maar het nieuwe, sterk ideologisch geïnspireerde natuurbeleid, heeft voor het Nederlandse cultuurlandschap en zeker ook voor het agrarische cultuurlandschap, talrijke negatieve konsekwenties gehad. Als archeoloog/historicus kan ik daarover bittere verhalen vertellen, maar i.v.m. onze thematiek vandaag bepaal ik mij tot het agrarische cultuurlandschap.
De natuurorganisaties hebben het agrarisch cultuurlandschap in de jaren ’90 in feite opgegeven. De overwegingen gingen ongeveer als volgt: behoud of beheer van boerennatuur - geen eer meer aan te behalen. Streef ernaar zoveel mogelijk agrarische grond te verwerven en die te transformeren in grootschalige natuurgebieden, bijv. in het kader van de EHS. We moeten toe naar de ontwikkeling van nieuwe, echte natuur, die zichzelf kan reguleren. Grote grazers, oerrunderen, kunnen daarbij een belangrijke rol spelen. Dat is aantrekkelijk voor het publiek en verhoogt de kijkcijfers. Het is ook veel goedkoper dan het reguliere natuurbeheer. Je moet ook niet proberen de traditionele zorg voor cultuurlandschappen of agrarisch natuurbeheer met modern natuurbeheer te verweven. Functiescheiding wordt het devies. Boeren daar, wij hier.
Een van de absolute dieptepunten van dit nieuwe beleid is voor mij de vernietiging van het agrarische cultuurlandschap rond het Leekstermeer: de transformatie van een schitterend boerenlandschap in een grootschalig gebied vol ‘nieuwe natuur’. Het komt neer op een onafzienbare pitrusplantage, waar nu heel enthousiast nieuwe bijzondere vogelsoorten en plantjes worden geteld, maar waar intussen een onvoorstelbaar rijke weidevogelpopulatie vrijwel geheel is verdwenen. De voormalige polders liggen er doods en stil bij. Er zijn voor de liefhebbers van nieuwe natuur wel een paar uitkijkheuvels, beleefpunten, ingericht.

Dat in de nieuwe agrarische ruimte en in de nieuwe natuurgebieden nauwelijks nog weidevogels voorkomen heeft ook te maken met een snel toenemende predatie, die voor een deel ook weer het gevolg is van het nieuwe natuurideaal. Terreinverruiging van voormalige agrarische gebieden en nieuwe bosschages vormen ideale uitvalsbases voor vossen, kraaien en roofvogels die het hebben voorzien op weidevogels en hun broedsels in het open terrein. Het gaat er ruig aan toe. Het beheer van groeiende populaties predatoren, zoals die in de boerenwereld vroeger normaal was, is in de natuurwereld meestal uit den boze. Ik meng mij niet in de vaak emotionele discussies tussen natuurorganisaties, boeren, jagers en vogelbeschermers over de schuldvraag betreffende de dramatische achteruitgang van de weidevogelpopulaties. Ik stel hier wel vast, dat het probleem van de predatie mede het gevolg is van het eenzijdige natuurbeheerbeleid van de overheid en de grote natuurorganisaties en van de veronachtzaming van het agrarische cultuurlandschap en de boerennatuur, inclusief de weidevogels.

Slijtage van het maatschappelijk draagvlak
Ik noem nog een derde ontwikkeling. Dat is de culturele koerswending die onze maatschappij sinds het begin van de 90-er jaren heeft ingezet. Het heeft geen zin om te proberen die hier in den brede te beschrijven, ik attendeer slechts op één bepaalde trend, waar maar weinig over gesproken wordt, maar waar we allemaal weet van hebben.
Die trend betreft de groeiende afstand tussen de mensen en hun natuurlijke omgeving. Dat heeft met van alles en nog wat te maken: met onze snelle leefwijze, de verstedelijking, de rol van de informatie-technologie enz. Wij hier in deze zaal voelen dat misschien niet zo sterk, wij zijn nog met de natuur grootgebracht, maar de gesignaleerde afstand wordt even verderop razendsnel groter. Het geldt vooral voor de jeugd, ook in deze contreien. Die komt niet meer in de natuur, die kan geen kievit meer van een kraai of een beuk van een eik onderscheiden, die weet niet meer waar het Alddjip of de Biskop is. Met je vriendjes zwerven door het veld en eierzoeken, dat zijn verhalen van pake. En die zijn niet erg ‘cool’. Van de geschiedenis die in het landschap ligt opgeslagen weet ook de dorpsjeugd al helemaal niets meer.
Dat is die jeugd niet aan te rekenen, dat is een kwestie van falende kennisoverdracht. In het onderwijs, tussen ouders (die het eigenlijk ook al niet meer weten) en kinderen, maar ook bij goedwillende natuurorganisaties die de kinderen steeds vaker als kleine consumentjes ‘natuurbelevenissen’ aanbieden.
Wij kunnen hier wel over het redden van de weidevogel praten of over landschaps- en natuurbehoud en -beheer, maar de noodzakelijke basale kennis en betrokkenheid in de samenleving slijt snel. Het maatschappelijk draagvlak voor dit soort zaken verdwijnt zienderogen.
 
Ik rond af. Mijn verhaal is een beetje somber, maar ik kan het niet mooier maken dan het is. Is dat een reden om het hoofd te laten hangen? Nee ! We kunnen nog altijd kiezen.

Oplossingsrichtingen
Ik duid drie oplossingsrichtingen aan, die gebaseerd zijn op de analyse van hiervoor:   
1. De biodiversiteit van de ‘agrarische ruimte’ (zo zal ik het maar noemen) en het herstel van de weidevogelpopulatie is alleen maar te realiseren wanneer de huidige ontwikkeling in de agro-industriële sector wordt omgebogen naar een moderne vorm van duurzame, grondgebonden boerenlandbouw, waarbij (zoals Piet Swagemakers van de Universiteit Wageningen opmerkt) "het ecologisch kapitaal, het geheel aan natuurlijke hulpbronnen rond de boerderij, opnieuw geïntegreerd wordt in de bedrijfsvoering”. En dat kan: er zijn steeds meer aanwijzingen dat een rendabele agrarische bedrijfsvoering op een duurzame wijze heel goed mogelijk is.
2. Een tweede noodzakelijke ombuiging betreft het natuurbeleid van de overheid en de natuurorganisaties. Zij betreft het afscheid van het eenzijdige natuurdenken en het ontwikkelen van een nieuwe beheersvisie, die mede is gebaseerd op een hernieuwde aandacht voor de betekenis van  cultuurlandschappelijke waarden, inclusief die van het agrarisch cultuurlandschap en de boerennatuur. Aanzetten voor een dergelijke koerswijziging zijn  gelukkig al waarneembaar. 
3. Een derde oplossingsrichting is een hernieuwde aandacht voor de kennisoverdracht betreffende de eigen leefomgeving in het onderwijs (bijv. via het zg. omgevingsonderwijs); het aankweken van liefde voor de natuur en het landschap. Daarmee kan een cultureel kapitaal worden opgebouwd, dat aangewend kan worden bij toekomstige pogingen de biodiversiteit en de culturele diversiteit van het agrarisch landschap in stand te houden.

U kunt natuurlijk zeggen, dat deze oplossingsrichtingen een sympatieke utopie vormen,  maar dat de harde politieke, economische en culturele werkelijkheid een andere is. Dat moge zo zijn, maar zie dan onder ogen dat in dat geval het redden van de biodiversiteit en de weidevogel al helemaal een utopie is.